Gastblog: Over leiderschap gesproken

‘Pensioenoverleg klapt, vakbeweging krijgt de schuld’, kopte het NRC op 20 november, nadat duidelijk was geworden dat de FNV het pensioenakkoord niet wilde steunen. De minister-president was er als de kippen bij de FNV terecht te wijzen: de vakbeweging had geen leiderschap willen tonen om de dreigende kortingen op pensioenen te voorkomen. Ook werkgeversvoorman Hans de Boer was er niet blij mee. Hij was zelfs ‘echt verdrietig’. De vakbeweging is niet in staat haar achterban begrip op te laten brengen voor compromissen, meende hij.

Voor de FNV was de AOW-leeftijd een groot struikelblok. De bond had geëist dat deze op 66 jaar zou blijven steken. Het tegenbod van het kabinet was om het tijdspad van verdere verhoging tot 67 jaar uit te stellen: van 2021 nu, tot 2025 straks. Vanuit het perspectief van de vakbeweging is dit niet om over naar huis te schrijven, maar in ieder geval een paar jaar winst.

Maar het kabinet deed geen water bij de wijn. Het regeerakkoord mocht niet worden opengebroken. De opgave van het vertraagde tijdspad voor de verhoging van de AOW-leeftijd was er een voor een volgende regering. Een kwestie van vertrouwen.

Je vraagt je af hoe de FNV hiermee ‘begrip moest bijbrengen bij haar leden voor compromissen’, zoals Hans de Boer het graag ziet. ‘Beste leden, wat we nu weer voor jullie uit het vuur hebben gehaald? Een toezegging van Rutte voor een komende regering! Zelden is er in de geschiedenis van de vakbeweging zo’n goed onderhandelingsresultaat bereikt!!’

De FNV heeft geen reden om Rutte te vertrouwen. In 2011 plaatste toenmalig voorzitter Agnes Jongerius haar handtekening onder een eerder pensioenakkoord. Het kostte bijna het voortbestaan van de FNV én haar hoofd. Onderdeel van het akkoord was een verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar in 2023. ‘Zo wordt een goede balans bereikt tussen jong en oud’, mijmerde Jongerius nog. Maar de inkt was nog niet droog of het tijdstip van de verhoging werd door Rutte II naar voren gebracht naar 2021. Dingetje uit het regeerakkoord. Over bruggen slaan gesproken.

Het is maar twee jaar vroeger, maar als het zo onbelangrijk is, waarom dan om die reden de afspraak met de bonden bruuskeren?

Als onderdeel van de laatste wijzigingen in de AOW-leeftijd is ook het automatisch wettelijk indexeringsmechanisme ingevoerd. Aanvankelijk zou de verdere verhoging van de AOW-leeftijd na 2023 stapsgewijs plaatsvinden om de vijf jaar. Mooi, want dit staat om de vijf jaar een nieuwe politieke afweging toe. Maar inmiddels geldt dat er jaarlijks een indexering plaatsvindt op basis van de stijging van de gemiddelde levensverwachting. Het gaat in stappen van drie maanden. Zo is in 2017 de leeftijd al op 67 jaar en drie maanden gesteld, ingaande in 2022. Dit jaar is verdere indexering achterwege gebleven. Naar men zegt het gevolg van een kleine griepepidemie in de vorige winter. Maar straks zal de leeftijd wel doorstijgen naar 67 jaar en zes maanden, dan negen maanden, en dan stapje voor stapje door naar 68, 69, 70….

Op deze wijze reist ons staatspensioen als belofte voor ons uit. Elke keer dat je denkt dat je er bijna bent, ligt de horizon weer wat verder. Aanvullende pensioenen hoeven zich niet noodzakelijk aan dit proces aan te passen. Deze bieden juist faciliteiten om het AOW-gat te helpen dichten. Het gevolg is dat één van de basispijlers van ons pensioensysteem, te weten de samenhang tussen AOW en aanvullend pensioen, wordt doorbroken.

Dat is geen goed nieuws voor hen die in hogere mate van de AOW afhankelijk zijn. Driemaal raden wie dat zijn. De kloof tussen hoger en lager opgeleid, tussen de zekere dienstbetrekking en precaire arbeid, tussen allochtoon en autochtoon is een kloof tussen arm en rijk. Hij is nu al zichtbaar bij de AOW-prepensionering. Het onderzoeksbureau SEO rapporteerde in juli 2017 dat van mensen met lage inkomens, 51 procent voor de AOW-leeftijd met pensioen gaat. Bij de hoge en middeninkomens is dat 72 procent.

De kloof loopt ook nog langs een andere scheidslijn, te weten tussen dragelijk werk en de zware beroepen. Internationale verdragen van de ILO en de Raad van Europa schrijven voor dat, bij een verhoging van de pensioenleeftijd boven de 65, voorzieningen moeten worden getroffen voor de zware beroepen. Maar dergelijke voorzieningen zijn voor de AOW nooit gerealiseerd. Het antwoord moet worden gevonden door de sociale partners in de verschillende sectoren zelf. Voor een deel komt dat antwoord in de vorm van een toestroom van arbeidsongeschikten in hun pensioenregelingen. De Volkrant rapporteerde in juli een verdubbeling van het aantal arbeidsongeschikten bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek en een stijging van 20% bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Overigens is sinds 2016 ook het aantal Wet WIA-uitkeringen plotseling gaan stijgen, al heeft UWV hiervoor nog geen duidelijke verklaring gevonden. Het arbeidsongeschiktheidsantwoord op het vraagstuk van de zware beroepen is een cynische.

Ik heb personen diepe zuchten horen slaken toen ze hoorden dat de FNV de verhoging van de AOW-leeftijd koppelde aan de plannen voor de aanpassing van het aanvullend pensioenstelsel. Maar dat zijn dezelfde personen die er steevast aan herinnerd moeten worden dat het aanvullend pensioen op het fundament van de AOW is gebouwd. Waar Rutte II de AOW heeft gebruikt als bezuinigingspost, komt de FNV op voor het behoud van de AOW als fundament van ons pensioenstelsel. Over leiderschap gesproken.

Meld u hier aan voor de blog-nieuwsbrief en ontvang bericht wanneer de volgende blog verschijnt!

Geef een reactie

Your email address will not be published.